Tactisch gezien heb ik het interview van Stijn Stijnen gelezen met mijn map open op mijn knieën, in de kantine, tussen twee koppen koffie. Hij snapt niet waarom geen enkele club in de Jupiler Pro League hem een kans geeft als hoofdtrainer. Uit het buitenland kreeg hij voorstellen, zegt hij. In België niets.
Zijn uitleg gaf hij aan Het Nieuwsblad: „Uit het buitenland kreeg ik wel voorstellen, maar ik ben quasi zeker dat heel veel sportief directeurs in België bang zijn van mij.”
Bang. Ik sta in derde provinciale sinds de vorige gaan vissen is en ik heb nog nooit iemand schrik aangejaagd. Mijn afgevaardigde heeft me al de handdoek van de bank afgepakt omdat ik hem op zijn map had gelegd. De voorzitter zou over mijn verlenging geraadpleegd zijn. In de voorwaardelijke wijs, zoals altijd.
Stijnen zegt ook dat hij zijn persoonlijkheid niet opzij wil zetten voor een job, en hij heeft een zin die ik met een balpen op het wedstrijdblad heb overgeschreven: „Zo’n marionet wil ik niet zijn. Want dan is het een kwestie van dagen voordat je spelers doorhebben dat je niets te zeggen hebt.”
Dagen. Bij mij is dat dinsdag. Dan zet ik het 4-4-2 op training, het enige eerlijke systeem. Als ze met elf zijn, toch. Op zondag om drie uur, als mijn linksachter na de rust de kinderen moet gaan halen, verandert het systeem zonder mij. De kleedkamer weet dus al lang wie beslist: de schoolkalender.
Een trainer die in de krant zegt wat hij denkt, dat is historisch. Ik weeg mijn woorden.
Ik heb toch even geteld. Om een sportief directeur bang van mij te krijgen, moet hij eerst het adres van veld 2 kennen. Dat met de helling, gekend in heel de provincie. Niemand is me daar ooit komen opzoeken met een voorstel, niet uit België en niet uit het buitenland.
Ik heb de map dichtgeklapt. Stijnen heeft wel aanbiedingen over de grens.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Voetbalkrant.







