Tactisch gezien heb ik mezelf herkend. Vitor Bruno, de trainer van Anderlecht, zei zaterdag na de match in het Jan Breydel: „Als we elke match zo winnen, worden we kampioen, ik heb geen enkel probleem met dit soort overwinning. Het is niet het doel, maar ik teken ervoor als dat is wat er gebeurt”.
Dat is een nabespreking na de match. Ik doe die elke zondag rond vijf uur, in de prefab, met de handdoek over mijn schouder. „Jongens, het was niet mooi, maar ik teken ervoor.” Op dinsdag zeg ik hetzelfde, maar langer. Als ze met elf zijn, toch.
Walfoot schrijft dat hij na elke gemiddelde prestatie liever het glas halfvol ziet, en dat de supporters niet voor de gek gehouden worden. Bij ons is het halfvolle glas de kop koffie van de afgevaardigde. Ook daar trapt niemand in, maar het financiert de transfers.
De krant zegt ook dat hij een risico neemt door dit te zeggen in plaats van streng te zijn voor zijn spelers en voor zichzelf. Daar begrijp ik de collega. Als ik streng ben, verlies ik twee spelers die hun kinderen gaan halen. Als ik relativeer, verlies ik het klassement van maandag. Er is geen goed antwoord, er is een 4-4-2.
Na de nederlaag bij Union gaf hij, nog steeds volgens Walfoot, een show voor de supporters. Mijn supporters zijn zes mensen en een hond. Een show durf ik niet: de hond gaat weg.
De laatste trainer die kampioen werd met Anderlecht is René Weiler, en dat is komend jaar in juni tien jaar geleden. Tien jaar, dat is ongeveer hoe lang mijn UEFA B-diploma al bezig is.
Domme vraag, maar als we tekenen voor een overwinning die niet het doel is, wat is dan het doel?
In oktober moet Anderlecht nog naar Zagreb, naar Bialystok en naar Beerschot. Drie verplaatsingen, geen enkele met helling, voor zover ik weet. Op een vlak veld na, hè.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Walfoot.







