Mechelen heeft zijn eerste match van het seizoen gewonnen. Benito Raman is de matchwinnaar. Ik las de rest maandag in de frituur, in mijn weekblad. Er was een omhelzing.
Fred Vanderbiest, de trainer, en Raman namen elkaar na de match in de armen. Vanderbiest zei aan Voetbalkrant: “Dat is gewoon pure vriendschap. Wij zijn open en eerlijk met elkaar.” Raman omhelsde in de dug-out ook veel ploegmaats. Hij zegt dat ze dat vaak doen.
In 1980 stak men de arm in de lucht. De trainer knikte. Niemand vroeg wat dat geknik betekende. Ik bekritiseer niet. Ik vergelijk.
De week was druk geweest. Patrick Goots had gezegd dat Mechelen Raman zeker nodig heeft en dat Vanderbiest de plooien dus moest gladstrijken. De trainer antwoordt: “Als mensen vragen of de plooien zijn gladgestreken: er zijn nooit geen plooien geweest.” Volgens hem dacht iedereen dat ze ruzie hadden omdat Raman niet speelde. Dat klopt niet, zegt hij. Raman weet perfect waarom hij wel of niet in de basis staat.
Dan zijn er nog de bijnamen. Elk heeft er een voor de ander. Ik schrijf ze niet op. In mijn tijd hadden we ook bijnamen. We gaven ze niet aan de pers.
Mijn kleedkamer heeft geen persconferentie nodig, die heeft een afgevaardigde.
Raman zei: “Ik weet zelf heel goed wat het is om op de bank te zitten en niet te spelen.” Dat is een zin die ik in 1976 had kunnen lezen. De rest, de omhelzing die uitgelegd wordt, de plooien die er nooit waren, vraagt een communiqué. Noteer dat ik niet tegen vriendschap ben. Ik ben tegen gecommentarieerde vriendschap. Enfin. Het is de tijd.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Voetbalkrant.







