Het woord van de dag in mijn notaboekje, tabblad „kleedkamer”: „donderspeech”. Volgens de spelers van Club Brugge hield Ivan Leko er woensdag in de rust tegen Lens een in het Jan Breydel. Brugge won ruim. De bron geeft de score niet, ik heb twee keer gezocht.
Domme vraag, maar als het een donderslag was, wat heeft hij dan gezegd? Ik heb het nagekeken, en eigenlijk weet niemand het. We weten dat er een speech was, we weten dat de spelers hem een „donderspeech” noemen. De tekst: niets. Het is de enige speech die iedereen citeert zonder hem te citeren.
Wat ik wel heb genoteerd, is wat Leko achteraf zei, volgens Sporza: „Er was een groot verschil tussen onze helften. Voor rust verdedigden we iets dat we niet hadden. We waren bang.” En wat me deed stilvallen: in de rust stond Brugge voor. Je kunt dus voorstaan en toch bang zijn geweest. Ik heb het twee keer onderlijnd.
Hij zei ook dat hij in de tweede helft zijn echte team weer zag, dat speelde „zonder angst en respect voor onze tegenstander. Met moed, pressing. Ik ben trots op dit resultaat.” Ik vraag me dus af waar het echte team de eerste vijfenveertig minuten zat. In de kleedkamer? Men zegt me dat het altijd zo geweest is, oké, maar wat dan nog?
Ik heb het aan de redactie gevraagd.
De tekst krijg je nooit te horen. Een rustspeech blijft in de kantine.
Leko prees daarna Yann Sommer („Hij was vorige week de Man of the Match en nu opnieuw”), Carlos Forbs en Joaquin Seys, die zijn eerste doelpunt in de Champions League maakte en die hij „snel in de Premier League” ziet. Drie punten, goed geplaatst voor de top 24, en geen rekenwerk, waarschuwde hij. Ik heb zelf maar één ding uitgerekend: nul bekende zinnen uit de beroemdste speech van de avond. Kortom, ik heb nog veel te leren.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Sporza.







