Tactisch gezien heeft VfL Bochum woensdag een „springverbod” aangekondigd. Een verbod om te springen. Voor de thuissupporters, vanaf het weekend erna en tot minstens 2028. Aanmoedigen mag nog. Wat verboden is, zijn de ritmische sprongen van de massa.
Ik heb dat twee keer herlezen, met de farde open op mijn knieën. Volgens de club heeft een ingenieursbureau een studie gedaan en vastgesteld dat de Ostkurve van het Ruhrstadion hevig begint te schudden als iedereen samen springt. Ze noemen dat het „trampolineëffect”. Bij mij noemen we dat veld 2. Dat schudt niet, dat helt. Maar ik herken het principe: een constructie die een mening heeft over hoe je je erop gedraagt.
Wat mij interesseert, is het beheer van het collectief. Als de supporters het verbod niet naleven, dreigt de club de hele tribune te sluiten. Tot 10.000 plaatsen. Dat is een duidelijke boodschap in de kleedkamer. Als ik met iets dreig te sluiten, is het de kantine, en de kantine financiert de transfers, dus ik sluit ze nooit. Dat weten ze.
De club wil de tribune versterken, maar niet voor 2028. Dan valt het verbod weg. In 2016 maakte FC Magdeburg hetzelfde mee: drie jaar zonder springen voor de harde kern, tot de tribune voor miljoenen euro’s werd versterkt. Drie jaar. Mijn UEFA B-diploma is bezig sinds 2011, ik weet wat het is om op een constructie te wachten.
Drie jaar zonder springen, dat is een schande. Ik weeg mijn woorden. Maar als ze goed zingen, zit er positiefs in.
Ik heb dat vertaald naar mijn derde provinciale. Wij hebben geen tribune, wij hebben een hekwerk en vier familievaders. Als we scoren, springt er één. Eentje, dat kan, hè. Het hekwerk staat er sinds 1987.
Zondag om drie uur heb ik toch één ding beslist: geen collectieve vreugde meer op de zijlijn langs de kant van de helling. We vieren het op de middencirkel, op het vlakke. De afgevaardigde heeft dat in zijn farde genoteerd, onder „structurele maatregelen”.
Het klopt, we hebben het nagekeken: HLN.







