Bondscoach Mark van Bommel houdt zijn kleedkamerpraatjes in het Nederlands, zo blijkt uit video’s op de sociale kanalen van de bond. Hij deed het al bij zijn eerste bespreking met de groep, en opnieuw na de wedstrijd tegen Italië. Bij HLN legde hij uit dat zijn assistenten, Boudewijn Zenden en Maarten Martens, vloeiend Frans spreken, dat alle spelers het Nederlands begrijpen, zeker als hij wat trager praat, en dat een punt dat niet duidelijk was nadien nog eens werd uitgelegd, door hemzelf of door iemand anders.
In gesprekken onder vier ogen met Franstalige spelers, zoals Diego Moreira of Roméo Lavia, schakelt hij over op het Engels. Met Matias Fernandez-Pardo is het Spaans. „We kunnen wat dat betreft alle kanten op”, vatte hij het samen bij HLN. Het Nederlands als voertaal in de kleedkamer? „Absoluut geen probleem”, volgens hem.
Eén taal voor de groep. Een andere voor het gesprek onder vier ogen. Een derde voor Fernandez-Pardo. En iemand om het nog eens uit te leggen. In 1980 wees de trainer naar het bord en zei drie woorden. Niemand vroeg welke. Ik bekritiseer niet. Ik vergelijk. Noteer dat ik niet tegen vooruitgang ben. Ik ben tegen deze vooruitgang.
Die herhaling, verduidelijkte Van Bommel, gebeurt na de bespreking of op het trainingsveld. De bondscoach kijkt intussen al verder: hij denkt dat de Duivels op het WK verder hadden kunnen komen, en het zelfs hadden kunnen winnen met wat geluk, en dat dat de mentaliteit moet zijn voor het volgende toernooi.
Trager praten. Dat is een methode. Wij spraken helemaal niet, en we begrepen elkaar toch. Iedereen begrijpt het, zegt hij. Ik geloof het graag. Een bal die binnengaat, spreekt overal dezelfde taal. Hij moet dan wel binnengaan. Enfin. Het is de tijd.
Het klopt, we hebben het nagekeken: HLN.





