Anderlecht heeft met 1-0 verloren in Zagreb. Strafschop. Laatste minuut van de blessuretijd.
De blessuretijd. In mijn tijd was er de tijd, en dan ging iedereen naar huis. De scheidsrechter keek op zijn horloge, één horloge. Niemand wist het, en niemand moest het weten.
Vitor Bruno herinnerde eraan dat Anderlecht de week voordien tegen Cercle Brugge in die minuten het verschil had gemaakt. Ik bekritiseer niet. Ik vergelijk. Een minuut die geeft en een minuut die neemt, dat is een kassa. Geen match.
Hij zei ook dat er nog zes matchen zijn om de play-offs te halen. „Ik wil nog altijd dat we de Europese play-offs halen. We hebben nog zes matchen om daar te geraken”. Zes matchen voor de play-offs. In 1980 speelde men een match, dan nog een, en de verliezer ging naar huis. Dat noemden ze een Europacup. Het paste op één bladzijde van mijn weekblad.
Zes matchen, Marcel. Zes. Dat is historisch, als marge.
Ik antwoordde dat nul punten na twee matchen ook een marge was. Ze vond dat niet leuk.
De trainer noemde enkele spelers die de laatste weken minder vaak startten: Stroeykens, Reabciuk, Aasgaard, Degreef. Kaïs Barry, centrale verdediger, speelde rechtsachter. Een moeilijkere avond, zei hij, beter na de rust. Een centrale verdediger rechts. Noteer dat ik niet tegen vooruitgang ben. Vroeger noemden we dat een noodoplossing, en daar sprak niemand de dag nadien over.
Hij sloot af met: „De zon komt morgen weer op”. Ik las het in de frituur. Het is de eerste zin van een trainer die ik controleer zonder weekblad. Ze is opgekomen.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Walfoot.





