Adrie Koster is 71. Ik ook. Hij is weer trainer. Ik lees mijn weekblad in de frituur. Elk zijn keuzes.
Hij neemt het Schouws elftal over. Een ploeg voor de gelegenheid, amateurs uit de streek, die in de voorbereiding tegen profclubs spelen. Volendam, Groningen, NEC, Dordrecht, de voorbije jaren. Mensen die in de week werken tegen mensen die betaald worden om te lopen. In 1980 noemden we dat een match. Het had geen aparte naam nodig.
Wat ik waardeer, is de weg die hij aflegde. Hij is geboren op Schouwen-Duiveland. In 1977 speelde hij voor het Zeeuws elftal, een selectie van hetzelfde slag, en tijdens een wedstrijd werd hij opgemerkt. Niet op een filmpje van vier minuten. Op een veld. Iemand keek, en dat volstond. Daarna meer dan honderd wedstrijden op het hoogste niveau, drie interlands voor Nederland.
Dan de bank. Willem II, Roda JC, Excelsior, RKC Waalwijk, Ajax. En Club Brugge, in 2009, tot de tweede plaats. Ik bekritiseer niet. Ik vergelijk. Hij is overal geweest en komt terug waar hij vertrokken is. Dat is zeldzaam. De stadions veranderen van naam en komen nooit terug.
Hij zei, volgens Voetbalkrant: „Je hebt natuurlijk jarenlang ervaring in de voetballerij als trainer. Dan hoop je die spelers ook nog wat mee te geven waar ze misschien in de toekomst iets aan hebben. Dat is eigenlijk de drijfveer.” Geen project. Geen nieuwe dynamiek. Doorgeven. Ik heb het twee keer herlezen. Dat werkwoord had ik lang niet meer gehoord.
Domme vraag, maar hoe rekruteerden ze vroeger dan?
Eén ding hoort niet bij mijn tijd. Volgens de bron ontstond het idee uit een grap: men zocht een coach, iemand noemde zijn naam. In 1980 maakte niemand grappen over een bank. Noteer dat ik niet tegen humor ben. Ik ben tegen deze humor. Alleen heeft ze gewerkt.
Enfin. Het is de tijd.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Voetbalkrant.





