Tactisch gezien moet je naar de timing kijken. Raul Florucz komt terug van schorsing, begint op de bank, en na ongeveer een kwartier komt hij erin, vroeger dan gepland, voor Mateo Biondic. Het wedstrijdplan gaat de map in. Dat ken ik: op zondag houdt mijn plan zelden stand tot de twintigste minuut.
Daarna versiert hij zelf een penalty, na een fout in de zestien, en hij trapt hem binnen. Versieren en trappen: dezelfde speler. Bij mij praten we daar tien minuten over, de afgevaardigde bladert door zijn map en uiteindelijk trapt de keeper. Hij heeft dat zonder vergadering geregeld.
En dan is er de viering. Union speelde „thuis”, maar in een leeg stadion, zonder supporters. Florucz vierde zijn doelpunt toch. „Ik vierde mijn doelpunt alsof ze er wel waren”, zei hij bij Sporza. Ik sprong recht uit mijn zetel. Want die beweging laat ik trainen. Mijn linksbuiten scoort, loopt naar de omheining, er staat niemand, behalve de madam van de kantine die het wisselgeld telt. Hij viert het toch. Het niveau in derde provinciale is enorm gestegen, de mensen beseffen dat niet: wij oefenen al jaren op een leeg stadion.
Hij zei ook, nog altijd bij Sporza: „Natuurlijk is het vreemd. Eerlijk gezegd wil geen enkele voetballer dit soort wedstrijden spelen.” Ik las het luidop voor aan mijn handdoek. Hij wil het niet. Ik heb niets anders, plus de helling van veld 2.
Over de penalty is hij formeel: het was „honderd procent”. Mijn kleedkamer heeft geen VAR nodig, die heeft een afgevaardigde, en die zit op zeventig procent bij alles.
Freddy, jouw lege omheining is geen Europees stadion. 7 op 9, dat is historisch. Ik weeg mijn woorden.
Ze heeft gelijk over het cijfer. Union heeft 7 punten op 9 en staat er goed voor in de Europa League. Florucz vatte de rest kort samen: „Dat is mijn job.” Ik heb de zin in de map genoteerd, op de pagina met de opstellingen.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Voetbalkrant.






